HomeArtikelen1 op de 5 stopt vóór transitie — wat de Amsterdamse cijfers echt zeggen over de intake

1 op de 5 stopt vóór transitie — wat de Amsterdamse cijfers echt zeggen over de intake

Een studie onder 1.470 door de Amsterdamse genderkliniek verwezen adolescenten laat zien dat 18% geen medische transitie startte — bijna 40% daarvan omdat er nooit een diagnose genderdysforie werd gesteld. Wat zegt dat over de kwaliteit van de intake bij de overige 82%?

Wat de studie precies meet

Een team rond De Rooy, Dekkers, De Vries en Steensma publiceerde in maart 2026 in de Journal of Sex & Marital Therapy een retrospectief dossieronderzoek onder 1.470 adolescenten die tussen 2009 en 2019 verwezen werden naar de Amsterdamse genderkliniek van het VUmc/Amsterdam UMC. De onderzoeksvraag: wie van hen startte uiteindelijk géén gender-affirmerende medische behandeling (GAMT), oftewel puberteitsremmers of kruishormonen, en waarom niet?

Het antwoord: 264 van de 1.470 adolescenten (18%) volgden geen GAMT. Van die groep kreeg 38,3% nooit de diagnose genderdysforie. Bij 27,7% was er wél sprake van genderdysforische gevoelens, maar bleek een volledig diagnostisch traject niet haalbaar. De niet-starters rapporteerden bij de intake minder genderdysforie en een minder negatief lichaamsbeeld dan de groep die wél startte, maar juist méér problemen in het psychisch functioneren. Van de niet-starters vroeg 28,8% (76 personen) op volwassen leeftijd opnieuw GAMT aan bij de kliniek.

De 82% die wél startte, ligt onder het vergrootglas

De onderzoekers presenteren de cijfers als bewijs van een zorgvuldig traject: waar nodig wordt afgeschaald, wordt niet iedereen doorgestuurd. Maar de keerzijde van 18% niet-starters is dat 82% wél startte — en dat roept juist vragen op over de informed-consent-fase van het Dutch Protocol die aan die keuze voorafgaat.

Een publicatie van Voorzij over dezelfde studie wijst op een concreet punt: bij zes adolescenten werden hormonen gestart zónder dat ooit een diagnose genderdysforie was gesteld. Dat betekent dat de behandeling zelf functioneerde als verkenningsinstrument, niet als sluitstuk van een diagnostisch traject. Daarmee wordt het onderscheid tussen 'diagnosticeren' en 'behandelen' — de kern van elk zorgvuldig medisch traject — juist bij de meest ingrijpende en deels onomkeerbare stap vervaagd.

Waarom de intake niet als filter werkt

De studie zelf laat zien dat de intake bij de meerderheid van de niet-starters geen inhoudelijke uitsluiting was, maar het gevolg van praktische obstakels: 27,7% van de niet-starters had wél genderdysforische gevoelens, maar de diagnostische route bleek niet haalbaar — vaak door bijkomende psychische problematiek. Dat is geen filter dat op klinische gronden onderscheid maakt tussen wie baat heeft bij medische transitie en wie niet; het is eerder een praktische drempel die toevallig een deel van de instroom afremt.

Voor de groep die wél verder komt, betekent dit dat de risico's van puberteitsremmers en hormonen zwaarder wegen naarmate de diagnostische onderbouwing losser is. Wie twijfelt of een traject zorgvuldig doorlopen is, vindt in de decision aid met checklists per rol concrete vragen om vooraf te stellen.

Een derde die later terugkomt

Opvallend is het percentage niet-starters dat op volwassen leeftijd opnieuw aanklopt: 28,8%. Dat cijfer wordt in de studie neutraal gepresenteerd, maar het is minstens zo goed te lezen als signaal dat 'niet starten op jonge leeftijd' voor een deel van deze groep geen definitief antwoord was, maar uitstel. Dat pleit niet voor een snellere jeugdroute, eerder voor een trajectstructuur waarin herbeoordeling op volwassen leeftijd een volwaardige, verwachte optie is — in plaats van een uitzondering die apart aangevraagd moet worden.

Wat dit betekent voor het Dutch Protocol

Deze cijfers voegen zich bij een groeiende reeks publicaties die vraagtekens zetten bij de diagnostische zorgvuldigheid van het Nederlandse model, dat internationaal geldt als oorsprong van de huidige praktijk. Waar landen als het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Finland na eigen evaluaties hun richtlijnen aanscherpten, blijft de Nederlandse praktijk in grote lijnen ongewijzigd — ook nu onderzoek uit de eigen kliniek laat zien dat de grens tussen beoordelen en behandelen niet altijd scherp is.

Bronnen

De Rooy, K., Dekkers, T.J., De Vries, A.L.C., Steensma, T.D. e.a. (2026). Characteristics of Dutch Gender Clinic-Referred Adolescents Who Did Not Pursue Gender-Affirming Medical Treatment. Journal of Sex & Marital Therapy, gepubliceerd online 9 maart 2026. Samenvatting: PubMed 41802318.

Voorzij (18 maart 2026). De illusie van voorzichtigheid — wat de nieuwste Amsterdamse studie écht onthult over genderzorg voor jongeren. voorzij.nl.

Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Wat is de kern van deze studie?

Onderzoekers van de Amsterdamse genderkliniek volgden 1.470 tussen 2009 en 2019 verwezen adolescenten terug. Bij 264 van hen (18%) volgde geen medische transitie (puberteitsremmers of hormonen). De studie beschrijft waarom niet en hoe deze groep verschilde van wie wél startte.

Waarom stopten adolescenten vóór transitie?

Bij 38,3% van de niet-starters werd nooit een diagnose genderdysforie gesteld. Bij 27,7% was er wel sprake van genderdysforie, maar bleek een diagnostisch traject niet haalbaar — bijvoorbeeld door andere psychische problematiek. De rest stopte om uiteenlopende andere redenen.

Wat is daar kritisch aan?

Dat bij zes adolescenten hormonen werden gestart zonder voorafgaande diagnose genderdysforie, terwijl het Dutch Protocol een zorgvuldige diagnostische fase vóór behandeling veronderstelt. Critici wijzen erop dat de intake dan eerder als behandeling dan als beoordeling lijkt te functioneren.