Home › Artikelen › Fins onderzoek naar negen detransitioners: bij allemaal speelde ernstig trauma vóór de transitie

Fins onderzoek naar negen detransitioners: bij allemaal speelde ernstig trauma vóór de transitie

Een Finse kliniekstudie onder negen volwassenen die hun gendertransitie terugdraaiden, laat zien dat bij iedereen al vóór de transitie zware psychiatrische problematiek en trauma speelden. De auteurs pleiten voor erkenning en evaluatie van spijt, niet voor het wegkijken ervan.

Negen volwassenen meldden zich tussen 2018 en 2019 bij de genderidentiteitskliniek van het Helsinki University Hospital, niet om te beginnen aan een transitie, maar om die terug te draaien. Een team rond onderzoeker Kaisa Kettula bracht hun dossiers in kaart en publiceerde de bevindingen in mei 2025 in Archives of Sexual Behavior. De uitkomst is ongemakkelijk voor een model dat genderdysforie doorgaans als een op zichzelf staand gegeven behandelt: bij alle negen patiënten was er al vóór de transitie sprake van ernstige psychiatrische problematiek, en bij zes van de negen ging het om seksueel misbruik of verkrachting in de voorgeschiedenis.

Wat de studie precies vond

Zeven van de negen deelnemers waren bij geboorte als vrouw geregistreerd, twee als man. De gemiddelde leeftijd bij de evaluatie voor detransitie was 33 jaar — dit gaat dus niet over jongeren die van gedachten veranderden tijdens de puberteit, maar over volwassenen die na jaren alsnog terugkwamen op hun transitie. Alle negen hadden naast de diagnose genderdysforie ook minstens één andere psychiatrische diagnose: stemmingsstoornissen kwamen bij iedereen voor, angststoornissen bij 78 procent en eetstoornissen bij 44 procent. Alle negen werden door de onderzoekers beoordeeld als iemand met een traumatische jeugd, met verwaarlozing en misbruik als terugkerende factoren.

Wat de onderzoekers concluderen — en wat zij niet concluderen

De auteurs claimen niet dat trauma dé oorzaak van genderdysforie is, en negen patiënten uit één kliniek zijn geen representatieve steekproef van alle mensen die detransitioneren. Wat zij wel concluderen is voorzichtiger en preciezer: dat spijt na transitie een reëel, aanwijsbaar verschijnsel is dat erkenning, ondersteuning en systematische evaluatie verdient — in plaats van te worden weggezet als een randverschijnsel. Dat is een bevinding van de studie zelf; onze eigen conclusie gaat een stap verder. Als bij een klein onderzoek als dit al bij alle deelnemers ernstige voorafgaande problematiek naar boven komt, dan roept dat de vraag op hoe grondig die problematiek werd onderzocht vóórdat de oorspronkelijke transitie werd goedgekeurd. Een protocol dat vooral vertrouwt op zelfrapportage van de patiënt, zoals ook op transkompas.nl eerder beschreven werd bij de bespreking van de conversiewet, laat weinig ruimte voor dat soort onderliggende problematiek om aan het licht te komen.

Hoe verhoudt dit zich tot grotere detransitie-cijfers?

Deze negen patiënten zijn een kliniekpopulatie, geen doorsnee van alle mensen die ooit transitioneerden. Grotere cijferstudies, zoals de eerder besproken analyse van 709 patiënten volgens de ESPE/ESE-methode, laten juist relatief lage gerapporteerde spijtcijfers zien. Die twee bevindingen spreken elkaar niet per se tegen: lage percentages op groepsniveau sluiten niet uit dat de kleine groep die wél terugkomt, dat doet vanuit een zware en vaak onderbelichte voorgeschiedenis. Een vergelijkbaar patroon — dat de aard van detransitie niet in één cijfer te vangen is — kwam ook naar voren in een grotere studie die vier verschillende profielen van detransitioners onderscheidde, op genderrisico.nl besproken: spijt over de behandeling was daarin maar één van de vier routes naar detransitie, naast bijvoorbeeld gezondheidsredenen of sociale druk.

Waarom dit ertoe doet voor wie twijfelt

Voor wie op dit moment worstelt met de vraag of transitie de juiste stap is, is de les van dit onderzoek niet dat trauma altijd de verklaring is. De les is dat een zorgvuldig traject niet alleen vraagt "voel je je man, vrouw, of geen van beide", maar ook grondig uitzoekt wat daarachter kan zitten — verwaarlozing, misbruik, angst, depressie — vóórdat onomkeerbare stappen gezet worden. Erkenning van spijt als reëel fenomeen, zoals de Finse auteurs bepleiten, is geen aanval op mensen die weloverwogen transitioneerden. Het is een pleidooi voor een proces dat traumaverleden serieus onderzoekt in plaats van het te laten passeren onder de aanname dat genderdysforie op zichzelf staat.

Bronnen

Kaisa Kettula, Niina Puustinen, Lotta Tynkkynen, Liisa Lempinen & Katinka Tuisku, "Gender Dysphoria and Detransitioning in Adults: An Analysis of Nine Patients from a Gender Identity Clinic from Finland", Archives of Sexual Behavior, mei 2025. Volledige tekst: PMC12162753.

Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Bewijst dit onderzoek dat trauma genderdysforie veroorzaakt?

Nee. De studie onderzocht negen patiënten uit één kliniek en toont een sterke samenhang met voorafgaand trauma en psychiatrische problematiek, maar kan geen oorzakelijk verband voor alle mensen met genderdysforie vaststellen.

Hoeveel van de onderzochte detransitioners hadden een voorgeschiedenis van misbruik?

Zes van de negen patiënten hadden seksueel misbruik of verkrachting in hun voorgeschiedenis; alle negen werden beoordeeld als iemand met een traumatische jeugd.

Wat bepleiten de onderzoekers voor de praktijk?

Zij bepleiten dat spijt na transitie wordt erkend, ondersteund en systematisch geëvalueerd, in plaats van als randverschijnsel te worden behandeld, zodat toekomstige richtlijnen ervan kunnen leren.